3 gedichten voordraagmarathon

Mijn huis

Overwoekerd
zwart en groen
niemand komt er binnen
niemand vangt er glimpen
de wereld daar binnen is een hel
mijn hel

Niemand die het weet
wanneer je glimpen vangt
staan er planten
ze eten vlees
ze verscheuren je tot op het bot
zuigen je energie
laten je leeg en eenzaam achter

Achter mijn raampje
zie ik
iedereen vertrekken
weg
bij mijn huis
als ik naar buiten ren
slaan de deuren op het slot
ontsnappen is onmogelijk
gedoemd om toe te kijken

Een slag op je hart

Je armen en benen gespreid gebonden aan een rad,
de splinters die steken in je vlees zijn niets vergeleken met de slagen die je verwacht.
Een.
Je linker onderarm.
Het gekraak van je gesplinterde botten vult het veld der doden.
Wat doen ze je aan?
Twee.
Je rechter onderarm.
Je pezen scheuren op het moment dat de hamer op je lichaam slaat.
Waar ben je aan begonnen?
Drie.
Je rechter bovenarm.
Beter hadden ze hem er maar gewoon afgehakt.
Dacht je echt dat je rijk zou worden?
Vier.
Je linker bovenarm.
Het publiek al azend op de mooiste souvenirs.
Hing je maar.
Vijf.
Je linker scheenbeen.
De beul lacht achter zijn masker vandaan.
Harry was nooit te vertrouwen.
Zes.
Je rechter scheenbeen,
Het is god die je nu voor je daden bestraft.
Waarom heb je de kerk gekozen?
Zeven.
Je rechter dijbeen.
Hij voelt niet anders dan al je andere ledematen.
Voor vluchten is het te laat.
Acht.
Je linker dijbeen.
Ze hebben je voor de zwaarste straf berecht.
Is stelen van de rijken dan…
Negen.

( hier heb ik nog geen titel voor)

Met haar kleine grote fietsje wacht ze
voor rood verlichtte neonletters,
die een woord spellen dat ze nog niet lezen kan.
Haar tenen zoeken een voor een naar balans
op losse tegels.
Haar vingers klemt ze om haar stuur,
afslaan kan niet meer,
ze had haar hand al moeten uitsteken,
ze weet dat wel,
maar zonder handen fietsen lukt nog niet.

Altijd is kortjakje ziek,
Zingt ze verborgen onder een kinderlijke onschuld.
Naar de kerk gaat ze niet.
Op school zijn er geen zondes om te vergeven,
dat moet ook wel wil je onzichtbaar zijn.
Onzichtbaar is ze niet,
met dat vlaggetje op haar fiets.
En naar binnen gaan is verboden,
in een speeltuin voor grote mensen.

In de etalage staan enkele poppen,
ze passen niet,
in een barbiehuis.
Het is alsof zelfs de ramen,
hun ogen sluiten.
Gezichten verraden niet,
Naar binnen, naar buiten
In, uit, in, uit, in, uit, in.
Allemaal even stijf.

Haar gezicht verraad,
een harde ongemakkelijkheid.
De enige die haar niet zien,
Proeven hun geluk in glory holes en judas kruizen.
Ze is dat,
wat ze noemen,
een ongelukje.

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *