De wind

Het is vast eenzaam zo. Om nooit naar ergens
onderweg te zijn en er altijd al te wezen.

Een oorsprong in zo’n ver verleden dat het nooit
meer van belang zal zijn of dat nu een miljard jaar
terug is. Of toch richting een triljoen.

Wind moet wat wind altijd zal: zich overdoen
en overdoen en overdoen. Tot de de aardbol
is gerond. Wind doet het niet voor minder.

En zijn uitvinders, vast en zeker van hun zaak:
door de jaren heen veel goden, later wetenschappers,
nog weer later drukgebieden, zou men het moeten verbieden
nog eens zo hoog van eender welke toren ook te blazen.

Wind vindt mazen. In alles, hoezeer het ook is dicht-
gemetseld. Wind speelt met de golven van het meer,
de slierten van het haar, de platen op het dak.

Wind voelt zich met massa het meest op zijn gemak
en geeft alles een gebaar. Slechts één zaak is
voor hem te zwaar: het licht.