Fotoboek

Ik aarzel met mate, tot herkenning zich veinst
in te blauwe ogen, zich ontvouwt in een vlugge herinnering
te snel neemt hij afscheid, eigent zich een lichaam toe
gretig grijp je naar dekbed, stoot oerkreten uit en
vraagt hoe laat je voor het laatst bent verlaten

we slaan fotoboeken met ezelsoren open
ontdekken handschriften en de onmacht van herinneren
een verschil dat we beamen niet eerder te hebben gezien

ik ontdek elke ochtend dat niet alles slechts
éénmaal nieuw is,
maar misschien vier of driemaal
we vergeten tot
een wereld aan beelden van een jonger paar, verrast

bij de foto van de piano aangekomen, wil je
dineren bij kaarslicht
op voor jou onbekende toetsen slaan
je tong spreekt schaamteloos
van middagadvocaat en het
wieden van onkruid ’s nachts, tussen de tegels,
in de tuin van een vreemd huis