Het veld van de zwarte vogels

Ik lag in het gras, in de gloed van de avondzon; ogen opzij gericht, gericht op haar gezicht en inktzwarte haar. Ik hoorde het paard ademen, ik voelde haar vingers, verstrengeld in de mijne en ik zag zwarte vogels – merels en even verderop een zwerm kraaien – rondcirkelen onder het grauwe, alsmaar donker wordende wolkendek. De regen zou niet lang op zich laten wachten. Ik dacht aan onze eerste ontmoeting, in Belgrado. Sindsdien zouden we ieder jaar op die dag in juni de bergen in trekken.
Het lijkt een eeuwigheid geleden, in een andere wereld, een ander leven. Jaren later sta ik weer in een desolaat, Kosovaars landschap. Waarom ben ik zo vaak in dit land geweest? Maar de traditie houd ik vol, niet één jaar heb ik overgeslagen: met of zonder haar, ieder jaar op dezelfde dag te paard de bergen in. Het landschap foltert me iedere keer, genadeloos, en het neemt me terug naar herinneringen die ik uit mijn hoofd wil verbannen.

* * *

‘Benzine.’
‘Wat?’
‘Benzine, zei ik! Gehoorschade opgelopen, idioot?’ Ik dacht aan gisteren, aan de opgeblazen moskee. Misschien had ik inderdaad wel gehoorschade opgelopen.
‘Benzine gieten, dat is een bevel.’ Ik zag waar Dragović, de militieleider van onze groep paramilitairen, heen wilde, toen ik de brandende peuk in zijn mond opmerkte. Enkele minuten later stond het huis in brand. De gedachte van krijsende, brandende Albanese kinderen, stikkend in de rook, wilde ik uit mijn brein wissen. Onmogelijk. Ik vroeg me af waarom ik hier was.
We trokken langs dorpen en kleine steden. Talloze waren al verlaten. In één dorp weigerde een stokoude man naar Albanië te vluchten, zijn dorpsgenoten achterna. Hij had nog maar weinig jaren te leven, had ik gezegd, dus hem konden we sparen, niet? Ik vervloekte mezelf enkele seconden nadat ik de onvoorzichtige woorden uitgesproken had, maar tot mijn verbazing kwam ik er zonder schrammen van af. Wel werd mij het verhaal verteld van de moeder van Dragović, die gemarteld was door leden van het Bevrijdingsleger van Kosovo, omdat ze als Servische niet thuishoorde in Kosovo. Ze was ontsnapt, zei Dragović, maar vervolgens aan haar verwondingen bezweken.
Onze taak was alleen het opsporen van belangrijke en invloedrijke Albanezen en leden van het Bevrijdingsleger, maar de grijsaard werd niet gespaard. Hij riep dat Kosovo zou overwinnen, voordat een kogel door zijn voorhoofd schoot. Gelijk kreeg hij. Voordien heb ik nog tientallen Albanezen vermoord.

* * *

Nadat bombardementen de Kosovo-oorlog beëindigden, keerde ik terug naar Belgrado. Adana heeft nooit geweten wat ik heb gedaan; ik had haar voorgelogen dat ik het leger in moest, meer heb ik nooit gezegd. Waarom ik haar verlaten heb, heb ik nooit geweten. Een jaar lang heb ik haar proberen te vinden, totdat ik vernam dat zij en haar ouders Albanezen waren. Nooit had zij mij dat verteld. Ze is gevlucht naar Albanië, vermoed ik. Ik hoop dat ze het overleefd heeft, dat ze nu nog leeft, dat ze zich onze traditie herinnert.