In de buik van het beestje

Ontleed de stadsvogel
En je ontdekt

Rommel, afgedankte dingen, onverteerbaar afval
De vogel gaat er mee aan de haal en
Sluit in zich het stilleven
Dat nu te kijk ligt te midden van botresten en bakstenen en
Zijn vermolmde veren

Arm schepsel

De vracht van een leven lang
Tussen de rails en klinkers, schichtig bewegend
Tussen toeristen en forensen
Hier open en bloot
Tegen de muur van het oude postkantoor gesmeten, neergestort.
De straatvegers hebben ‘m niet opgemerkt.

Nog niet.

Dit stille monument aan de onverschilligheid van de gevangenen
In de buik van het monster dat Utrecht heet.