Oma Kerstboom

We stonden bij de afwas, mijn moeder met haar handen in het water, mijn broer en ik met keukenhanddoeken het vaatwerk monter afdrogend. Een zaterdagnamiddag, midden december. De eerste hindernis van het kerstseizoen was eerder die dag genomen. De horde stond nog groen en onversierd in zijn voetstuk naast de zetel, onbeschaamd net dat beetje te scheef, te bekomen van de winterkou. De kerstboom.
‘We zullen maar een boom halen,’ had moeder eerder die dag gezegd, met een gezicht alsof het een ongewenst familielid betrof dat ieder jaar voor de kerst kwam logeren. ‘En eens niet te groot dit jaar’. ‘Maar toch groot genoeg’, protesteerde ik, fervent activist voor de rechten van grote kerstbomen. ‘En vroeger, toen wij op de lagere school zaten, was je toch zo’n liefhebber van kerstbomen? Een grote boom, dat was traditie’. Mijn moeder keek mij scheef aan: ‘Dan had je wel een heel vertekend beeld van de werkelijkheid.’ In de paasvakantie had ik mijn rijbewijs gehaald en kon dus in principe voor het eerst alleen een boom halen.‘Ik zal maar meegaan’, zei mijn moeder met een veelbetekenende blik, ‘Voor alle zekerheid.’
Daar stonden we dan op het kerstbomenveld: mijn broer, die meegekomen was voor het sleepwerk en als maatstaf voor de ideale spar (de maximumhoogte van de boom was zijn 1,89m plus tien centimeter), mijn moeder en ik. Mijn oog viel algauw op een weelderig exemplaar met prachtige, stevige takken. ‘Zo’n wijd ding. We gaan geen plaats meer hebben in onze woonkamer. Nee, het wordt deze.’ ‘Deze’ was een beduidend bescheidener boompje dat meer stam liet zien dan het verborg. Een stam die nog scheefgegroeid was ook, zo bleek toen het ding eenmaal thuis naast de zitbank stond. Maar we hadden ons eerste stukje kerst in huis gehaald, zonder te veel discussies, die de toch al tere kerstsfeer bij voorbaat zouden kunnen breken.
Deze kerst kwam de vriendin van mijn broer voor de eerste keer mee-eten en dat leidde tijdens de afwas die namiddag tot speculaties over latere, kleine kerstbezoekers.
‘We zeggen tegen onze kinderen dat er vroeger bij oma altijd een supergrote kerstboom stond’, zei ik tegen mijn broer, met één oog op mijn moeder. ‘En dan komen ze hier en vragen ze: “Oma, waar is de grote kerstboom? Mama zegt dat er bij oma een megagrote kerstboom staat.”’
‘En ik zeg dat oma altijd superveel desserten klaarmaakte voor kerst: crème anglaise en chocomousse,’ zei mijn broer. ‘Al die dingen waar er veel werk aan is.’
‘We gaan een traditie beginnen van grote kerstbomen en veel desserts, allemaal bij oma Kerstboom.’
‘Oma Grote Kerstboom.’
‘Lijkt je dat geen goed idee, mama?’
Oma Grote Kerstboom keek zuur op van de afwas.