Tegenpolen

Ze was de nacht ingevlogen.
De dag achterna. En nu landde ze,
als tussenstop,
aan de voet van mijn berg.
De dag is in het Zuiden, vertelde ze me later.

Ik voelde me bedrogen,
want ik was zuidelijker dan waar ik vandaan kwam.

Ze werd al verwacht, de buizerd.
Niet letterlijk maar aanvoelend, alsof ik haar was.
We hadden eenmaal eerder ontmoet.
Ze was een vliegend kompas en ik volgde
de route met mijn wijsvinger.
(Ik wist toen nog niet dat ik eerst vliegen moest.
Ook dat vertelde ze me later.)

We spraken aan de voet van mijn berg,
en eigenlijk zei ze niets wat ik niet al wist
behalve dat terugkeren en heengaan
niet polariserend zijn.

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *